COLUMN: De Kuip, een stadion in verval
In dit artikel:
De Kuip, gebouwd in de crisisjaren van het interbellum en geopend op 27 maart 1937, wordt in dit stuk beschreven als ooit het fraaiste voetbalstadion van Nederland maar tegenwoordig in verval. Waar veel grote infrastructurele werken destijds door de overheid werden gefinancierd als antwoord op massawerkloosheid na de beurskrach van 1929 (zoals de Maastunnel, het Amsterdamse Bos, het Twentekanaal en het Goffertpark), was De Kuip een particulier initiatief dat mede dankzij lage arbeidskosten kon worden gerealiseerd. Het stadion verrees nabij de linker Maasoever in Rotterdam en bood vanaf het begin een voorsprong doordat publiek veel dichter op het veld zat dan in het Olympisch Stadion in Amsterdam.
De auteur is sinds 68 jaar trouwe bezoeker van De Kuip; zijn eerste Feyenoord-wedstrijd was op 22 april 1957 (Feyenoord–Eindhoven 4–0). Hij schetst zowel persoonlijke herinneringen — waaronder kleinschalige routes door de wijk en emotie bij liederen die het stadion bezingen — als een historische context: Feyenoord had al titels in 1924, 1928 en 1936 en behaalde later ook kampioenschappen in 1938 en 1940. De schrijver vergelijkt verder de Rotterdamse club- en stadiongeschiedenis met die van Amsterdam, wijst op vroeger meerdere profclubs in beide steden (zoals DWS, Blauw-Wit, De Volewijckers in Amsterdam; Sparta, Excelsior en Xerxes in Rotterdam) en belicht Sparta als oudste betaald voetbalorganisatie van Nederland (opgericht 1 april 1888).
Technisch en architectonisch onderging De Kuip belangrijke aanpassingen: in 1957 kregen de tribunes vier karakteristieke lichtmasten, en in 1994–1995 vond een ingrijpende renovatie plaats waarbij grote delen van het stadion werden overdekt. Lang stond de grasmat van De Kuip bekend als een van de beste van het land; de auteur merkt echter dat het veld de laatste jaren minder presteert en recentelijk is voorbijgestreefd door het veld in het Philips Stadion.
Het grote thema is de huidige status van De Kuip: hoewel het stadion cultureel en emotioneel van onschatbare waarde is voor Feyenoord en haar supporters, is het gebouw internationaal gedateerd. Grote interlands en Europese finales worden er nauwelijks meer gespeeld. De club schijnt inmiddels eigenaar te zijn geworden, maar volgens de schrijver biedt dat op zichzelf geen toekomstbestendige huisvestingsoplossing voor een club met Feyenoords historie — de schrijver pleit daarom dringend voor een concreet, uitvoerbaar plan voor een nieuw stadion dat wél gerealiseerd zal worden.
Het stuk eindigt met een persoonlijke oproep: uit liefde voor Feyenoord en uit zorg voor het clubverleden hoopt de auteur op een snel en gedragen besluit over vervanging of ingrijpende vernieuwing van De Kuip, zodat club en supporters de toekomst in kunnen met een stadion dat past bij hun status en ambities.